Wat Phrathat Doi Suthep

Wat Phrathat Doi Suthep is één van de fraaiste tempelcomplexen van Thailand en ook wel een van de meest bekendste. De tempel ligt zo’n 16 kilometer buiten de stad op de berg Suthep in het Doi Pui National Park. Vanaf de Doi Suthep tempel, gelegen op 1073m hoogte, heb je een schitterend uitzicht over Chiang Mai en zijn omgeving.

De tempel is te bereiken via een trap met 309 treden

De Doi Suthep tempel stamt uit het Lannatijdperk, het gouden tijdperk van de Thaise geschiedenis die duurde van de 12e tot de 20e eeuw. Midden in het tempelcomplex staat een 24m hoge met goud beklede Chedi (gespitse toren). Vanaf de parkeerplaats kun je de Doi Suhtep tempel op twee manieren bereiken, namelijk via een trap (309 treden!) met Nagas (mythologische 7-koppige slangen) als leuningen of met de lift.

Het meest heilige op de tempelberg is een grote met plaatkoper beklede chedi (ook wel stoepa of pagode). In dit gedeelte van de tempel moeten de bezoekers hun schoenen uittrekken en verzorgd gekleed zijn. Op het tempelcomplex staan kleinere chedi's, beelden, bellen en relikwieën, zowel van boeddhistische als hindoeïstische achtergrond. Ook is er een klein museum. Er is een model van de Smaragdgroene Boeddha en een beeld van de hindoegod Ganesha.

Geschiedenis

Er bestaan verschillende verhalen over de oorspronkelijke stichting van de tempel. Een ervan is dat het gebouwd is in 1383 toen de eerste stoepa werd gebouwd.In de loop van de tijd is de tempel uitgebreid en zijn er extravagante relikwieën aan de tempel toegevoegd. De weg naar de tempel werd pas in het jaar 1935 aangelegd, op initiatief van de monnik Kruba Srivichai.

 

Legende van de witte olifant

Volgens de gangbare legende, had een monnik met de naam Sumanathera uit Sukhothai een droom, waarin god hem vertelde naar Pang Cha te gaan en te zoeken naar een relikwie. Sumanathera vertrok naar Pang Cha en vond een been, waarvan men beweert dat het de schouderbeen is van Boeddha. De relikwie vertoonde magische krachten: het gloeide, was in staat te verdwijnen, het kon zich uit zichzelf bewegen en zich vermenigvuldigen. Sumanathera nam de relikwie mee naar de koning Dharmmaraja die toen over Sukhothai regeerde.

De gretige Dharmmaraja deed offers en organiseerde een ceremonie toen Sumanathera aankwam, maar de relikwie vertoonde geen ongewone kenmerken. De koning betwijfelde de echtheid van de relikwie en vertelde Sumanathera het te houden.

Ook koning Nu Naone uit Lanna hoorde van de relikwie en vroeg Sumanathera naar zijn koninkrijk te komen en hij vertrok met toestemming van zijn eigen koning Dharmmaraja in 1368 naar Lamphun in Noord-Thailand.

De relikwie brak in tweeën, waarbij het ene deel even groot was als het origineel en het tweede kleiner. Het kleinste deel werd bij de relikwieën in een tempel in Suandok gezet; het andere deel werd bij de koning op de rug van een witte olifant gezet die losgelaten werd in de jungle. Volgens de legende beklom de olifant de berg Doi Suthep die vanaf dat moment Doi Aoy Chang (Suikerolifantberg) werd genoemd. Daar trompetterde hij drie keer en viel dood neer op de heuveltop. Dit werd geïnterpreteerd als een teken en koning Nu Naone gaf de opdracht voor de bouw van een tempel op de berg.

overzicht inhoud